De Moerse muziekgeschiedenis van Orpheisten tot Orpheonisten...
 
Onze maatschappij werd te Moere gesticht onder de regering van Leopold I in 1862 . Het zou een zekere E. Fotrell geweest zijn, bijgenaamd "de Engelsman", die het initiatief nam en ook voor de naamgeving zorgde.

Stichter-voorzitter E.Fotrell werd opgevolgd door Diseré Serruys, volksvertegenwoordiger en later burgemeester van Gistel, die later de fakkel doorgaf aan "brouwer" Vansieleghem.

Zoals ieder zichzelf respecterende maatschappij in die tijd werd er bij de stichting een vaandel in gebruik genomen. Dat vaandel is getooid met tientallen eretekens vanaf 1862, en wordt in de maatschappij terecht als een relikwie gekoesterd. De toenmalige stichters hebben er de laatste woorden van Orpheus aan Eurydike op geplaatst :

Verenigd blijven of sterven


In feite was er reeds voor 1862 een muziekgroep actief onder leiding van een zekere dokter Kelderman. Deze groep bestond niet alleen uit blazers zoals wij die nu kennen,doch ook uit violisten en accordeons en trok rond op een huifkar. Onze stichter, de heer Fotrell, was begeesterd door de Griekse mythen en sagen. Dat was waarschijnlijk de reden waarom hij koos voor de wel erg originele naam "De Orpheisten", wat betekent volgelingen van Orpheus. Gedurende de eerste generaties van het christendom komt Orpheus zeer vaak voor in de Romeinse catacomben en werd hij er door de eerste christenen erg aanbeden. Hij werd net als Christus beschouwd als een herdersfiguur/leidersfiguur…naar de vrijheid.

De stichters van onze fanfare wisten precies wie en wat zij met deze “vergeten” figuur op het oog hadden

In de loop van de jaren werden de Orpheisten door de volksmond omgevormd tot het beter in de mond liggende Orpheonisten. In 1995, bij de oprichting van de V.Z.W. werd dan ook definitief gekozen voor "Orpheonisten" als officiële naam.

Wat er ook van zij, de heer Fotrell meende het meteen serieus, want hij zorgde ervoor dat de fanfare in haar eerste officiële bestaansjaar een subsidie kreeg van 200 BEF. Bovendien was de heer Fotrell ook oprichter van de gemeenteschool die hij na de klastijden vrij ter beschikking stelde om muzikanten op te leiden. In de jaren 1862 en volgende was de fanfare bijzonder succesvol op festivals, mede dank zij haar uniform dat gebaseerd was op dat van de Zouaven.

De opleiding werd uitgebouwd door Jules Kelderman. "Na drie maanden waren er door zijn toedoen van de elf kandidaten reeds drie die eerste partij speelden…" leest men in getuigenissen die opgetekend werden rond 1962 door de heer A. Symoen. Deze Jules Kelderman was trouwens medestichter en bracht zonder twijfel de fanfare in de eerste 40 jaar van haar bestaan tot luister en bloei. Steeds volgens dezelfde getuigenissen was zijn dood een keerpunt, dat nadien door het uitbreken van W.O.I nog ten kwade versterkt werd. Moere was in deze periode niet alleen een “sperrgebiet” doch ook een experimentele site van het superkanon Lange Max,waarbij meer dan 1000 militairen betrokken waren. De bevolking was bijzonder bang van de Duitsers en moest per huisgezin soms 20 soldaten herbergen. De Duitsers vernietigden alles wat maar met de “vereniging van burgers” kon gelinkt worden. Pas in de jaren 1920 ging de fanfare opnieuw van start.

 
Ook tijdens de tweede wereldoorlog was Moere “sperrgebiet” en werd er opnieuw zeer veel vernietigd. Bij de bevrijding ging wat er overgebleven was “ te vroeg uit” om de Canadezen te verwelkomen. De Duitsers schoten echter met hun artillerie die te Roksem was opgesteld zodat de fanfare letterlijk “naar huis werd gebombardeerd”.  
In de jaren 1950 werd de fanfare opnieuw actief. Er waren nog een vijftiental muzikanten en er was nog steeds opleiding in de gemeenteschool.
 
In 1962 werd het 100-jarig bestaan gevierd. Op die foto is duidelijk te zien dat de fanfare er niet beter aan toe was dan 50 jaar geleden in 1912, wel integendeel.  

In die tijd stonden voorzitter Gerard Catrysse, secretaris Medard Demeyere en ere-voorzitter Jerome Depuydt aan het roer. Later zou dit trio opgevolgd worden door voorzitter Arsène Hoste, ondervoorzitter André Vanhevel - tevens de laatste burgemeester van Moere voor de fusie met Gistel - en secretaris Urbain Labaere.

Het werd een lange en moeilijke heropbouw met vele problemen op allerlei gebied zowel intern (financiëel ,organisatorisch) als extern. Toch er werden heel wat zaken gerealiseerd : nieuwe uniformen, het oprichting van een VZW, de bouw van een eigen opleidingscentrum, het aantrekken van jonge mensen in het bestuur en de fanfare, het creëren van een eigen archief en de informatisering (e-mail, website,..).

Na het overlijden van Arsène Hoste in 1984 zag de bestuursploeg er als volgt uit: voorzitter Daniel Logghe, secretaris Trees Basyn en ondervoorzitter Pol Staelens.

  2004 werd terug een grote verandering voor de Orpheonisten. Op 17 april 2004 (tijdens het Lenteconcert) nam Geert Vanhoutte het dirigeerstokje over van André Dewilde. André had toen een carriere van 25 jaar dirigentschap achter de rug. Geert is geen vreemde voor de Orpheonisten hij is reeds vele jaren muzikant, muziekleraar en bestuurslid bij de Orpheonisten. 

In elk geval zijn de Orpheonisten de oudste vereniging van Moere, maar ook één van de eerste fanfares - zoniet de eerste - uit de streek.

Zonder overdrijven mag gesteld worden dat zij opnieuw, na ongeveer 150 jaar,een ware bloeiperiode kent.